Wetsvoorstel verjaringstermijn interlandelijke adoptie

Een meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag heeft uitgesproken dat de in 2019 door Dilani Butink ingestelde rechtsvorderingen zijn verjaard. De rechtbank kwam daardoor niet toe aan een inhoudelijk oordeel over de zaak.

Dilani Butink werd in 1992 als pasgeborene in Sri Lanka geadopteerd en in 1995 werd zij als driejarige in Nederland geadopteerd. De rechters rechtvaardigden hun vonnis door te onderbouwen dat, twintig jaar na haar adoptie in Sri Lanka, in 2012 de verjaringstermijn voor een rechtsvordering in Nederland verstreek.

Het is niet zeker dat alle drie de rechters het daarmee eens zijn. Over het geheim van de raadskamer laat de rechtbank zich niet uit. Zo is dat thans per wet geregeld. Het is evenwel goed denkbaar dat de verjaringsbeslissing niet unaniem genomen is. Het is namelijk vanzelfsprekend dat geadopteerden hun afstammingskwesties niet als achttienjarige binnen twee jaar aan de rechter kunnen voorleggen.

Niet gehinderd door verjaringskwesties heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de afgelopen decennia uitvoerige jurisprudentie gecreëerd inzake afstammingskwesties en identiteitsrecht die ziet op de gevolgen van (interlandelijke) adoptie. Het Europees Hof heeft recentelijk uitspraak gedaan die pleit tegen verjaring in afstammingskwesties.

De rechtbank heeft er echter voor gekozen om verjaringsjurisprudentie van de Hoge Raad der Nederlanden uitermate beperkt uit te leggen. Deze uitleg is in strijd met rechtspraak van het Europese Hof.

De reden waarom de rechtbank zich betreffende de verjaringskwestie in haar vonnis beroept op de zogenaamde gezichtspuntencatalogus van de Hoge Raad heeft te maken met het feit dat de Nederlandse wetgever geen specifieke verjaringstermijnen met betrekking tot (interlandelijke) adoptie heeft voorzien.

Het is aan de wetgevende macht met een wetsvoorstel te komen over verjaringstermijnen inzake (interlandelijke) adoptie.

In dit opzicht hebben twee parlementariërs justitieminister Dekker reeds gevraagd zich uit te spreken over het vonnis van de rechtbank. Geadopteerden voelen zich daarin gesterkt. De rechtelijke macht heeft de uitvoerende macht in eerste aanleg echter in het gelijk gesteld en daarom zullen Kamervragen aan de minister op dit moment vermoedelijk niet leiden tot een wetswijziging.

Gezien de commotie die de uitspraak van de rechtbank teweeg heeft gebracht, en zelfs tot Kamervragen heeft geleid, is het op zijn plaats als de wetgever handelt en met een wetsvoorstel komt dat verjaring omtrent (interlandelijke) adoptie regelt.

Een dergelijk wetsvoorstel zou niet alleen civielrechtelijke adoptieverjaringstermijnen moeten regelen maar ook relevante strafrechtelijke verjaringstermijnen. Zo zou het Openbaar Ministerie in alle adoptierechtszaken, niet gehinderd door verjaringskwesties, elke stap van de (adoptie)procedure moeten kunnen volgen.

Eventuele strafrechtelijke overtredingen begaan door de uitvoerende macht zouden daarom in adoptierechtszaken in beginsel niet moeten kunnen verjaren. Het beoogde effect van dergelijk slagvaardige controle door het OM op de rol van de Staat in (interlandelijke) adoptiezaken is de preventie van mensenrechtenschendingen.

Adoptierechtszaken gericht op herstel van mensenrechtenschendingen zouden in ieder geval inhoudelijk behandeld moeten kunnen worden.

Hiertoe zou de Nederlandse feitenrechter haar verjaringsrechtspraak over (interlandelijke) adoptie, afstammingskwesties en identiteitsrecht moeten kunnen funderen op specifieke verjaringstermijnen. Slechts op die manier kan een inhoudelijke (interlandelijke) adoptieuitspraak op basis van de feiten worden gegarandeerd. De ophef die ontstaan is door het vonnis in de zaak van Dilani Butink toont aan dat het hoog tijd is dat de wetgevende macht daartoe een voorstel doet.

Patrick Noordoven is pleitbezorger voor de rechten van geadopteerden en heeft daar onder meer een tweejarige onderzoeksmaster rechtswetenschappen aan gewijd. Hij is de eerste geadopteerde die in Nederland rechtszaken voert ten gunste van het recht op identiteit van geadopteerden. Zodoende heeft hij zeker gesteld dat de Staat der Nederlanden belastende informatie over (nalatig) handelen door de Staat openbaar heeft gemaakt, hetgeen leidde tot de instelling van de Commissie Onderzoek Interlandelijke Adoptie in het Verleden.